Niederländisch » Deutsch

af·re·ke·nen1 <rekende af, h. afgerekend> [ɑfrekənə(n)] VERB trans

af·te·ke·nen1 <tekende af, h. afgetekend> [ɑftekənə(n)] VERB trans

2. aftekenen (ondertekenen; nauwkeurig afbeelden):

4. aftekenen (afmaken):

5. aftekenen (met tekenen afdoen):

be·je·ge·nen <bejegende, h. bejegend> [bəjeɣənə(n)] VERB trans

be·oe·fe·nen <beoefende, h. beoefend> [bəufənə(n)] VERB trans

2. beoefenen (in praktijk brengen):

be·re·ke·nen <berekende, h. berekend> [bərekənə(n)] VERB trans

2. berekenen (in rekening brengen):

4. berekenen (voor- en nadeel afwegen van):

ge·sche·nen VERB

geschenen volt. deelw. van schijnen

Siehe auch: schijnen

schij·nen <scheen, h. geschenen> [sxɛinə(n)] VERB intr

2. schijnen übtr (stralen):

in·re·ge·nen <regende in, h. ingeregend> [ɪnreɣənə(n)] VERB unpers ww

in·re·ke·nen <rekende in, h. ingerekend> [ɪnrekənə(n)] VERB trans


Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski